Ga naar de inhoud

Vanaf de ruggenprik

Van vlak onder het punt van de ruggenprik was ik volledig verlamd. Dus zo voelt het wanneer je een dwarslaesie hebt. Geen been op kunnen heffen, geen knie ook maar een beetje omhoog, zelfs geen teen kunnen bewegen. Volledig opgesloten in mijn lijf. Ik word me gewaar van een op de loer liggend gevoel van paniek. Het is niet zo dat ik denk nooit meer te kunnen bewegen, maar ik zit dus nu helemaal niet meer in dat stuk van mijn lijf.
Tot overmaat van ramp krijg ik wel dingen in mijn lijf, met name een buisje door mijn piemel waardoorheen de blaas zich kan legen. En dat tot twee keer toe, doe maar – toe maar.  

De eerste dagen laten me worstelen met de zuigende kracht van een moeras. Wanneer de verdoving eindelijk is uitgewerkt mis ik spierkracht. Met krukken sjok ik me vooruit. Ik mag nog niet douchen, naar de wc ga ik met gestrekt been. Op de stoel vouw ik de plooi onder mijn been glad. Die ontstaat omdat er onvoldoende motoriek vermogen is om dat te voorkomen. De plooi weghalen kan eigenlijk niet – dit dode been lijkt een dood paard en is te zwaar.
Kleine stukjes lopen mag. Dat voelt echter zó doelloos; een rondje brengt je direct terug naar af en dan heb je niets bereikt. Maximaal 3 minuten lopen is zo’n beetje naar de deur. Zo kom je er echt niet uit. Het loopje naar de bakker op de hoek brengt zoveel brood naar de diepvries dat die route verboden wordt. 

Inmiddels heb ik iets nieuws ontdekt – hoera voor de minibieb op straat. 
Ik loop een rondje tot de eerstvolgende minibieb. Ik zoek daar een boek uit wat ik mee naar huis neem. Wanneer ik verder mag lopen, zoek ik een andere, de volgende minibieb op en vul die aan met mijn gelezen boek. Zo verbind ik alle minibiebs met elkaar, een nuttig gevoel.